Skip to content
All posts

Samen met ziekenhuizen hoofd bieden aan toenemende MDL-zorgvraag

“Waarom zijn jullie er eigenlijk?” Met die vraag opent MDL-arts Kirill Basiliya een gesprek over een ontwikkeling die het MDL-landschap in rap tempo verandert. Zelfstandige behandelcentra (ZBC’s) verzorgen inmiddels meer dan tien procent van de MDL-zorg in Nederland en profileren zich met focus op planbare zorg, efficiënte processen en korte wachttijden. Tegelijkertijd groeit de discussie over hun rol: halen ZBC’s capaciteit weg uit ziekenhuizen of vormen zij juist een noodzakelijke oplossing voor de oplopende zorgvraag? In een rondetafelgesprek met vertegenwoordigers van drie ZBC’s ontstaat een beeld van de kansen én spanningen binnen een zorgsysteem dat steeds meer onder druk staat en waarin samenwerking volgens alle betrokkenen onvermijdelijk wordt.

Zelfstandige behandelcentra (ZBC’s) spelen een steeds prominentere rol binnen de MDL-zorg. In 2024 bedroeg hun aandeel hierin ruim 10 procent. Zij vormen inmiddels een vast onderdeel van het zorglandschap naast de ziekenhuiszorg waar complexe en acute zorg samenkomen. Deze ontwikkeling roept vragen op over thema’s als positionering, samenwerking en verantwoordelijkheid binnen de MDL-keten. Hoe kijken ZBC’s zelf naar hun rol in het zorglandschap en naar de samenwerking met ziekenhuizen? Hoe reageren zij op kritiek vanuit het veld, bijvoorbeeld over het mogelijk onttrekken van zorg- en artsencapaciteit aan ziekenhuizen, de verdeling van en de verantwoordelijkheden voor patiënten en de omgang met complexe zorg en complicaties?

Zorgpraktijk volop in beweging

Gewapend met deze vragen gingen twee redactieleden van MAGMA, Kirill Basiliya (MDL-arts, Leids Universitair Medisch Centrum) en Govert Veldhuijzen (MDL-arts, Gelre ziekenhuizen) met vertegenwoordigers van drie ZBC’s in gesprek: Mark Booms (divisiemanager MDL-zorg Bergman Clinics), Biljana Janssen-Djudaric (manager Maag-, Darm- en HIV-zorg DC Klinieken), Eric Keulen (MDL-arts DC Klinieken en Zuyderland Medisch Centrum), Jeroen Jansen (medisch directeur/MDL-arts PoliDirect, MDL-arts OLVG) en Mariëtte van Nes (focusmanager MDL bij PoliDirect). Niet om te oordelen, maar om genoemde thema’s expliciet te maken en verschillende perspectieven naast elkaar te zetten, met als doel een genuanceerd en realistisch beeld te schetsen van een zorgpraktijk die volop in beweging is. “Om het meteen maar scherp te stellen”, opent Kirill Basiliya het gesprek, “Waarom zijn jullie er eigenlijk?” Voor Jeroen Jansen was de start van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker aanleiding PoliDirect te beginnen. “De invoering van dat onderzoek werd enthousiast ontvangen. Tegelijkertijd ontstond een groot capaciteitsprobleem. Toen dachten wij: die zorg kun je ook anders organiseren. Veertien jaar geleden was dat nog spannend en onzeker. Samenwerking was niet vanzelfsprekend. Langzaam is dat veranderd. De noodzaak wordt inmiddels breed gevoeld.” Mark Booms (Bergman Clinics) herinnert zich uit de beginjaren dat ZBC’s vooral werden gezien als een alternatief voor het ziekenhuis. “We zijn nu onderdeel van de gezamenlijke oplossing voor de groeiende zorgvraag. Het gaat nog steeds om hetzelfde capaciteitsprobleem. Door de zorg anders te organiseren, kunnen we meer capaciteit vrijmaken. Dat was destijds de aanleiding en is nog altijd relevant. Wij werken intensief samen met veel ziekenhuizen, MSB’s en maatschappen. Samen zoeken we naar oplossingen om de patiëntenvraag zo goed mogelijk op te vangen.”

Efficiënte zorg, persoonlijke aandacht

Het verschil met een ziekenhuis, stelt Mariëtte van Nes van PoliDirect, is dat een ZBC een duidelijk afgebakend deel van de MDL-zorg levert: laag- tot middencomplexe zorg. “Die zorg hebben wij georganiseerd in gestroomlijnde zorgstraten. Daardoor kunnen we efficiënt werken, omdat onze organisatie daarop is ingericht. Vanaf het moment dat patiënten bij ons binnenkomen, krijgen ze direct uitleg, behandeling en terugkoppeling van de bevindingen. Wanneer vervolgzorg nodig is, worden ze meteen doorverwezen. Zijn er geen afwijkingen gevonden, dan ontvangt de huisarts nog dezelfde dag een brief. Bovendien spreken patiënten altijd meteen met de MDL-arts die het onderzoek heeft uitgevoerd. Op die manier combineren we efficiënte zorg met persoonlijke aandacht.” De efficiëntie zit volgens Eric Keulen (DC Klinieken) niet in het uitvoeren van méér scopieën per tijdseenheid, maar in de manier van werken. “In een zelfstandige kliniek kun je als arts ongestoord doorwerken. Er zijn geen spoedvragen van de afdeling of de SEH en er hoeft geen tijd in het programma te worden vrijgehouden voor acute situaties. Bovendien werk je in een kleinschalige omgeving.” “Na de fusie tot Zuyderland Medisch Centrum in 2015 zijn we als MDL-groep gaan kijken hoe ZBC’s konden bijdragen aan basis MDL-zorg”, vertelt Eric Keulen. “Veel collega’s kenden die manier van werken toen nog nauwelijks, maar de ervaringen waren positief. Inmiddels werken alle zestien MDL-artsen uit de groep ook bij DC Klinieken Maastricht. De lijnen met het ziekenhuis blijven kort. Wanneer tijdens een scopie afwijkingen worden gevonden, gaat de patiënt direct naar de vervolgzorg in het ziekenhuis. Die samenwerking verloopt vanzelfsprekend, omdat dezelfde MDL-artsen in zowel het ziekenhuis als de kliniek werken. Ook complicaties worden gezamenlijk opgevangen. Patiënten die na een ingreep problemen krijgen, worden gewoon in het ziekenhuis behandeld. Dat heeft nooit tot discussies geleid. Het wordt gezien als gezamenlijke verantwoordelijkheid. Juist die samenwerking maakt het model sterk. Het is niet óf het ziekenhuis óf de zelfstandige kliniek, maar een combinatie van beide.”

Govert Veldhuijzen wil graag van z’n Limburgse collega weten welke zakelijke en organisatorische proposities onder de constructie liggen. Een kleine achttien jaar geleden, blikt Keulen terug, speelde in Maastricht de discussie dat de MDL-zorg voor huisartsen en patiënten in de regio onvoldoende toegankelijk was. “Vanuit DC Klinieken ontstond toen het idee om in Maastricht te starten met een zelfstandige kliniek. De MDL-artsen uit het toenmalige AZM (thans MUMC+) wilden hier niet in participeren. In die periode speelde concurrentie nog duidelijk een rol. Daarop zijn de MDL-artsen uit het toenmalige Atrium MC in Heerlen gestart bij de DC Klinieken  Maastricht. Tegelijkertijd werd in het toenmalige Orbis Medisch Centrum in Sittard-Geleen ingezet op een versnelde opleiding van een fulltime verpleegkundig endoscopist. Dit zorgde voor veel extra capaciteit in Zuid-Limburg. Na het ontstaan van het fusieziekenhuis Zuyderland Medisch Centrum ontstond mede door DC Klinieken Maastricht ook de mogelijkheid om het aantal MDL-artsen uit te breiden.”

Capaciteit creëren

“Inmiddels is er veel veranderd. De druk op ziekenhuizen neemt verder toe en zorgverzekeraars erkennen dat uitbreiding noodzakelijk is. Daardoor ontstaat ruimte om gezamenlijk op te schalen, zowel binnen het ziekenhuis als via ZBC’s. Juist daar kan samenwerking tussen vakgroepen en ZBC’s van grote waarde zijn. Wanneer een ziekenhuis door contractuele afspraken wordt beperkt in uitbreiding, kan een zelfstandige kliniek helpen om in elk geval een deel van de zorgvraag op te vangen. Met poliwachttijden die soms oplopen tot vijftig weken, is elke mogelijkheid om capaciteit te creëren van betekenis.” Verschillende ziekenhuizen, stelt Govert Veldhuijzen, zetten zelf clinics op. “Zij gaan ook daadwerkelijk aan de slag om planbare zorg efficiënter te organiseren en wachttijden te verkorten. Wat vinden jullie daarvan?” Jeroen Jansen is daar uitgesproken over: “Ik heb er weinig vertrouwen in dat een kliniek gaat werken, omdat ziekenhuizen uiteindelijk die vertaalslag niet kunnen maken. Neem de overdrachten en pauzes. Om half negen begint de eerste wissel. Dan hoor je: ik ben vroeg begonnen, dus ik ga nu koffiedrinken. Vervolgens komt de volgende verpleegkundige, die zegt: ik ben al om acht uur begonnen, dus ik heb ook recht op pauze. Voor je het weet heb je op één ochtend zes verschillende scopieverpleegkundigen gehad. Dat is niet handig. Het heeft overigens niet met een verschil in mentaliteit te maken, veel eerder met de manier waarop de zorg is gepland. Er zijn ook verpleegkundigen uit het ziekenhuis die één of twee dagen bij ons werken. Eric Keulen is het met z’n collega eens. “Als je het als ziekenhuis echt goed wilt organiseren, dan moet je je kliniek fysiek op een andere locatie hebben. Alleen dan kun je die planbare zorg daadwerkelijk afschermen van alle verstoringen uit het ziekenhuis. In een kliniek binnen dezelfde ziekenhuismuren zou ik persoonlijk nooit willen werken, want uiteindelijk weten ze je tijdens je kliniekdag toch weer te vinden.”

Dedicated team en kamer

Pas als je kunt garanderen: deze kamer en dit team zijn volledig dedicated aan die planbare zorg, kun je het goed organiseren, stelt Biljana Janssen-Djudaric. “Het kan niet zo zijn dat een arts of verpleegkundige alsnog wordt teruggehaald naar het ziekenhuis wanneer daar personeelstekorten ontstaan. Dat zag je bijvoorbeeld bij de electieve orthopedie in ziekenhuizen. Op het moment dat er spoedpatiënten kwamen, werden geplande knie- en heupoperaties simpelweg van het programma gehaald.” Govert Veldhuijzen begrijpt dat door deze werkwijze strak in te richten rondom het scopieteam, de MDL-arts in een ZBC ontspannen aan het werk is. “Maar dan ontstaat automatisch de vraag: hoe organiseren we met schaarste aan MDL-artsen dan wel gezamenlijk nog de acute en continue zorg?” Jansen en Keulen pleiten er beiden voor de twee werelden te combineren: grotendeels werken in een ziekenhuis, maar daarnaast ook in een ZBC. Keulen: “Overigens stuur ik iedereen die nieuw in onze maatschap komt, het eerste jaar nog niet naar DC Klinieken. Eerst moet je leren volledig zelfstandig te scopiëren, zelfstandig werken en ervaring opdoen in het ziekenhuis. Jonge artsen zouden niet alleen in een ZBC moeten werken, omdat juist de combinatie zo waardevol is en je uiteindelijk op beide plekken beter functioneert.”

Voorkom opleiden A- en B-dokters

Op de stelling: ‘heeft een MDL-arts wel zes jaar opleiding nodig om in een ZBC te werken?’ reageert de tafel eensgezind. Zowel Keulen als ook Jansen vindt verkorting van de MDL-opleiding voor iemand die in een ZBC wil gaan werken, niet wenselijk. Jansen: “Dat lijkt misschien aantrekkelijk en is soms praktisch als je als aios jonge kinderen hebt, maar je loopt dan wel het risico op een soort A- en B-dokters. Dat vind ik geen goede ontwikkeling. Als je vanuit de maatschap zowel ziekenhuis- als ZBC-zorg doet, blijf je breed inzetbaar en draai je overal in mee.” De combinatie kan ook helpen de dienst belasting in de MDL te verlichten, stelt Jansen. “We zien diensten nog steeds als iets wat je erbij doet; de volgende dag draai je gewoon weer volledig mee. Dat is niet lang meer houdbaar. Om rust te krijgen en op een ander moment weer inzetbaar te zijn, heb je voldoende mensen op de vloer voor nodig. Daar kan een ZBC-onderdeel zijn van de oplossing. Zo’n dag in een ZBC voelt voor veel artsen namelijk bijna als een hersteldag. Je werkt weliswaar, maar hebt minder acute stress en verstoringen. Zo hou je artsen langer gezond, gemotiveerd en beschikbaar voor de totale zorg, inclusief de diensten.” Bij PoliDirect hoort Mariëtte van Nes regelmatig van specialisten dat het ziekenhuis hen niet toestaat om ook in een ZBC te werken. “Daardoor zie je de laatste jaren steeds vaker dat jongere medisch specialisten, juist vanwege de werk-privébalans, ervoor kiezen om voorlopig volledig in een ZBC te gaan werken. Wij gaan die mensen natuurlijk niet weigeren, want we kunnen ze goed gebruiken. Ziekenhuizen zouden juist meer ruimte moeten bieden. Wij juichen dat alleen maar toe.”

Dagje bijkomen in ZBC

Hoe organiseer je met elkaar de zorg op een manier die duurzaam blijft, vraagt Govert Veldhuijzen zich af. “Een dagje bijkomen in een ZBC zou daar uitkomst kunnen bieden. Ook de inzet van gepensioneerde MDL-artsen die graag willen blijven bijdragen maar alleen in een ZBC terecht kunnen, optimaliseert uiteraard de capaciteit van Nederlandse endoscopisten. Maar de grote vraag blijft: hoe organiseren we dat gezamenlijk?” Jeroen Jansen herkent de gezamenlijke verantwoordelijkheid in het zoeken naar wegen om de capaciteit in de MDL-zorg te versterken. “Ik zie regelmatig artsen die in het ziekenhuis tegen een burn-out aanzit ten of soms de grens al zijn gepasseerd. Bij ons bloeien ze weer op en hervinden ze het plezier in werken. Je houdt ze duurzaam inzetbaar, in plaats  van dat ze uiteindelijk helemaal uitvallen.” Regionale samenwerking tussen ziekenhuizen en ZBC’s kan ook soelaas bieden bij het draaien van diensten in de ziekenhuizen, voorziet Keulen. “In het westen van het land is dat misschien makkelijker dan in perifere regio’s, maar ook daar moeten mogelijkheden te vinden zijn voor bredere samenwerking. Zo zou je artsen die alleen in een ZBC werken, kunnen vragen om mee te draaien in diensten. Als zo’n dienst nog maar eens in de zoveel tijd voorkomt, vinden veel mensen dat prima te overzien in de wetenschap dat er een extra collega als achterwacht beschikbaar is.”

Speeddaten: 8 aios, 23 ziekenhuizen

Aan de hand van een voorbeeld schetst Govert Veldhuijzen de krapte in beschikbare capaciteit van MDL-artsen. “Ik sprak laatst de organisator van het speeddaten tussen aios en ziekenhuizen. Ik begreep dat er laatste editie acht aios beschikbaar waren en 23 ziekenhuizen met hen wilden spreken. Dat spreekt boekdelen.” Biljana Janssen-Djudaric beaamt dat de beschikbare capaciteit van MDL-artsen een belangrijk knelpunt is in het licht van de toenemende MDL-zorgvraag. Bovendien, stelt ze, kan de landelijke MDL-zorgcapaciteit niet onbeperkt blijven groeien. “Zorgverzekeraars kijken immers ook naar hoeveel zorg zij willen en kunnen inkopen. We kunnen dus ook niet onbegrensd blijven uitbreiden. Daarom zullen we regionaal met elkaar moeten kijken hoe we zowel de artsencapaciteit als de patiëntenzorg goed verdelen. De oplossing zit vooral in het met elkaar in gesprek blijven.”

Andere zorgpaden zonder scopie

Luisterend naar de gesprekspartners hoort Kirill Basiliya steeds dat ziekenhuizen en ZBC’s complementair aan elkaar zijn en dat de zelfstandige klinieken zorgpaden efficiënt kunnen organiseren. “Wat opvalt dat in veel van die zorgpaden de scopie steeds centraal staat. Daarom zijn Govert en ik benieuwd hoe jullie kijken naar de toekomst van twee andere patiëntengroepen. Zouden ZBC’s een grotere rol kunnen spelen in bredere MDL-zorgpaden, zoals functionele zorg bij IBS en metabole leverzorg? Daarmee zouden de ziekenhuizen enorm worden ontlast.” “Toevallig zijn we voor beide zorgpaden bezig met een businesscase, want die sluiten goed aan bij de bredere visie van Bergman Clinics”, haakt Mark Booms daar meteen op in. We hebben een grote plastische divisie, waar veel vraag is naar onder meer leefstijlcoaching en obesitas medicatie zoals Ozempic. Ik heb zeer recent nog de offertes voor een Fibroscan binnengekregen.” Jeroen Jansen vindt niet dat de complementaire zorg die ZBC’s bieden, zich vooral rondom scopieën afspeelt. “We doen namelijk ook gewoon poli’s. Dat is in de eerste plaats omdat ik vind dat je niet kunt zeggen: scopie zonder afwijkingen? Ga maar terug naar de huisarts, succes ermee. Wij zien ook patiënten bij wie oraal ijzer niet werkt. Zij werden voor een infuus vaak naar het ziekenhuis verwezen. Maar die zeiden terecht: jullie hebben alles al uitgezocht, waarom moeten wij alleen nog dat infuus geven? Ook zijn we met propofolsedatie aan de slag gegaan. Als iemand veel pijn heeft gehad, angstig is of een trauma heeft van een scopie, dan moeten wij zelf kunnen helpen in plaats van het systeem extra te belasten, aldus Jansen. Zijn PoliDirect-collega Mariëtte van Nes aanvullend: ”We hebben niet zelf diëtisten en psychologen in dienst, maar goede afspraken met deze ondersteuners in de regio naar wie we kunnen door verwijzen.”

Fibroscan

Net als PoliDirect heeft Bergman Clinics ook MDL-poli’s. DC-klinieken daarentegen niet. “Dat is een bewuste keuze”, licht Biljana Janssen-Djudaric toe. “We positioneren ons als diagnostisch centrum. Overigens volgen we de ontwikkelingen rond nieuwe behandelingen zoals de Fibroscan op de voet. Van de huisartsen begrepen we dat daar op dit moment nog weinig mee wordt gedaan, omdat de Fibroscan nog niet is opgenomen in de huisartsenrichtlijnen. Daar kijken we kritisch naar: we willen geen zorg aan bieden die nog niet in een richtlijn is vast gelegd.” Eric Keulen ziet grote meerwaarde in het voorkomen van onnodige zorg. “Volgens mij is veel winst te behalen uit een goede ondersteuning van de huisarts. In Zuyderland begonnen we in 2012 met zogeheten meedenkadviezen. Bij DC Klinieken zijn we daar nu ook voorzichtig mee gestart. En je merkt direct het effect, 80 procent behoeft geen verwijzing te krijgen. Met CZ zijn we in gesprek of we een verwijzing voor een scopie of poli ook mogen omzetten naar een meedenkadvies als we dat zinvoller achten. De huisarts krijgt direct feedback wat eventueel een betere oplossing of mogelijkheid is en voor de patiënt werkt het prettig dat een specialist nog even met de huisarts heeft meegekeken. Die meedenkadviezen kun je ook best vanuit een ZBC geven. Door de gerichte feedback op hun verwijzingen leren huisartsen er ook nog eens van. De cijfers laten zien dat het werkt. In Zuid-Limburg komen acht van de tien patiënten binnen een jaar niet alsnog met dezelfde zorgvraag in het ziekenhuis of ZBC terecht.”

Betrokkenheid ZBC bij opleiding

Hebben de gesprekspartners een visie op hun betrokkenheid bij de opleiding tot MDL-arts? Biljana Janssen-Djudaric is van mening dat als een ZBC echt samenwerkt met een ziekenhuismaatschap, de begeleiding van aios prima kan worden geborgd. “Tegelijkertijd snap ik heel goed dat hier een spanningsveld zit. Want als je te veel laagcomplexe zorg uit het ziekenhuis haalt, dan raakt dat uiteindelijk ook de opleiding van jonge aios die juist die basiservaring nog moeten opdoen. Dus dat is iets waar we richting de toekomst samen goed naar moeten kijken.” Zeker aan het einde van de MDL-opleiding is meelopen in een ZBC heel waardevol, stelt Eric Keulen. “Dan kunnen aios echt leren op tempo te werken. Een zesdejaars zet ik in het ziekenhuis ook gewoon op de reguliere tijdslots van een MDL-arts onder het motto: als je straks perifeer gaat werken en dit tempo aankunt, dan red je het overal. Dat kan je natuurlijk ook prima in een ZBC doen. Volgens mij kunnen ziekenhuizen en ZBC’s elkaar juist goed aanvullen in de opleiding.” Tot slot roept Jeroen Jansen de Medisch Specialistische Bedrijven (MSB’s) op nog eens nadrukkelijk naar de contracten te kijken die ze met artsen afsluiten. “In die contracten  staan vaak strikte concurrentiebedingen in, bijvoorbeeld dat je niet binnen twintig kilometer ergens anders mag werken. Je werkt er omwegconstructies mee in de hand, waarbij artsen buiten hun eigen regio gaan werken, terwijl het eigenlijk logischer zou zijn als ze juist in hun eigen regio actief zijn en hun patiënten daar ook zelf kunnen blijven volgen. Als je als arts verbonden bent aan die ZBC's, daar ook werkt en de patiënten kent, dan heb je meer invloed op de organisatie van de zorg en hoe vervolgzorg wordt opgepakt.

Artikel uit MAGMA
Tijdschrift van de Nederlandse vereniging van maag-darm-leverartsen
Jaargang 32 / nummer 2 / juni 2026